ARBO en milieuzorg

ARBO en milieuzorg in magazijnen

Als aan de hand van de logistieke stappen binnen het magazijn de milieu-aspecten worden betrokken dan moet er op de volgende zaken gelet worden.

 

1. Lossen
Bij het lossen van goederen en dan met name van vloeistoffen, bestaat er altijd een kans dat er gemorst wordt. Hierin ligt een potentieel risico van bodemverontreiniging. Dat is ook de reden dat er in diverse bedrijfscategorieën vloeistofdichte vloeren worden geëist. Deze vloeren moeten voldoen aan de criteria uit de Richtlijn.

Bodembeschermende voorzieningen. Handhavers kunnen hierop letten en een reeds aangelegde vloer afkeuren als deze niet voldoet aan die criteria. Bij het leggen van een nieuwe vloer is het dus verstandig hiermee rekening te houden.

Gaat het om gevaarlijke stoffen (ADR) dan moet goed vastgelegd zijn wie lost. Tijdens het lossen rust de risicoaansprakelijkheid voor milieuschade door deze stoffen namelijk op degene die daadwerkelijk lost. Dit soort zaken moeten schriftelijk worden vastgelegd. Lossen van de goederen buiten de inrichting ten behoeve van het magazijn kan geluidhinder opleveren voor omwonenden. Bij overschrijding van de normen kan dit problemen opleveren voor de bestaande milieuvergunning van het bedrijf.

 

2. Transport naar opslaglocatie
Tijdens transport bestaat er een risico van lekken van vloeistoffen en dus een potentieel bodemverontreinigingsrisico.

 

3. Opslag
Ook bij opslag bestaat een risico van bodemverontreiniging. In veel vergunningvoorschriften worden bij opslag van gevaarlijke vloeistoffen lekbakken vereist. Nadere invulling geschiedt ook door de CPR-eisen voor opslag gevaarlijke goederen.

 

4. Verpakken
Sinds 1998 is het Convenant Verpakkingen in Nederland van toepassing, een voortvloeisel van de eind 1997 in werking getreden ‘Ministeriële regeling verpakkingen en verpakkingsafval’. Vrijwel alle bedrijven hebben dit convenant, al dan niet via hun branches, ondertekend. Het convenant legt veel verplichtingen voor de bedrijven vast met het oog op preventie van verpakkingsafval.

Wanneer verzonden wordt naar het buitenland moet rekening gehouden worden met de verpakkingsregelgeving in het bestemmingsland, dat andere bepaalde symbolen of bepaalde verpakkingseisen stelt.

 

5. Pallettiseren
Pallettiseren gebeurt vaak in combinatie met omwikkeling van bijvoorbeeld krimpfolie of banden. Het Convenant Verpakkingen heeft hier invloed op, in die zin dat gewerkt moet worden aan vermindering van verpakkingsafval en in sommige gevallen verandering van samenstelling van verpakking.

 

6. Laden
Voor het laden geldt hetzelfde als bij het lossen. Ook hier is er een risico van morsverliezen en van potentiële bodemverontreiniging.
Risicoaansprakelijkheid voor milieuschade bij het lossen voor gevaarlijke stoffen

 

7. Intern transport
Er zijn meer mogelijkheden om gebruik te maken van milieuvriendelijke transportmiddelen. Steeds vaker worden in de vergunningvoorschriften eisen gesteld aan de heftrucks met betrekking tot emissies, zowel geluid als luchtverontreiniging.
Ook aan het geluidsniveau dat door de berijder/chauffeur wordt ontvangen zijn eisen gesteld. Op investeringen in milieu- en arbo-vriendelijke heftrucks is de MIA- en FARBO-regeling van toepassing.

 

8. Vervoer op het bedrijfsterrein zelf
Vervoer op het bedrijfsterrein kan zorgen voor overlast voor omwonenden. Te denken valt hierbij aan geluid-, stank- of stofhinder (zowel van lading afkomstig als door het rijden zelf veroorzaakt). In de vergunning kunnen zowel aan hinder door lading als aan hinder door het rijden voorschriften worden verbonden. Overschrijding hiervan kan de bedrijfsvoering belemmeren doordat de milieu-inspectie optreedt. Op vervoer van gevaarlijke stoffen op het bedrijfsterrein is de risicoaansprakelijkheid voor milieuschade door gevaarlijke stoffen van toepassing.

 

Algemeen

Het gebruik van koel- en vriesmiddelen kan voor diverse milieuproblemen zorgen. Zo veroorzaken koelaggregaten voor omwonenden de nodige overlast in de vorm van geluidhinder.

Ook hiermee kan in de voorschriften voor de vergunning rekening worden gehouden. Het CFK-besluit is van toepassing hetgeen diverse eisen met betrekking tot de installatie, onderhoud en controle met zich meebrengt. Het bedrijf moet rekening houden met de afvalstoffen die het produceert. Dit geldt zowel voor verpakkingsafval als productieafval. Ook in het magazijn komt afval vrij, waarbij verpakking een belangrijk aandeel kan hebben.

Diverse Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB’s) voor verschillende bedrijfscategorieën verplichten de bedrijven die daaronder vallen om onder meer papier, karton, folie, hout, gft-afval en gevaarlijk afval gescheiden te houden en gescheiden af te voeren. Dit met het oog op recycling. Ook in het magazijn moet hier al rekening mee worden gehouden.

Om investeringen in arbeidsvriendelijker bedrijfsmiddelen aantrekkelijker te maken heeft het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid de FARBO-regeling in het leven geroepen. Dit is de regeling willekeurige afschrijving Arbo-investeringen, waarin een lijst met bedrijfsmiddelen is opgenomen. Een aantal van deze bedrijfsmiddelen heeft betrekking op het transport en op het gebruik van transportmiddelen onder andere in magazijnen. Te denken valt hierbij onder andere aan pallettiseermachines.

Ook energieverbruik kan een rol van betekenis hebben in magazijnen. Sommige investeringen kunnen tweeledig zijn, zoals de aanschaf van snellopende roldeuren of speciale gordijnstroken of dockshelters. Deze voorkomen een voor de werknemers koude luchtstroom maar voorkomen tegelijkertijd warmteverlies. Investeringen in energievriendelijke bedrijfsmiddelen kunnen vallen onder de Energie-investeringsregeling en zijn vrij af te schrijven.

 

Stappenplan inrichting magazijn

Het magazijn heeft binnen een bedrijf een dienstverlenende functie. Deze functie is afgeleid van de bedrijfsdoelstelling en moet worden uitgeoefend tegen zo laag mogelijke kosten en een zo goed mogelijke serviceverlening.

Om de kosten zo gering mogelijk te houden moet in het magazijn efficiënt worden gewerkt. De magazijnorganisatie en de gehanteerde werkmethoden in het magazijn zijn bepalend voor de routing en inrichting.

Een magazijn moet daarom in eerste instantie worden gezien als een werkruimte en dan pas als een opslagruimte. Bij onderzoek naar de inrichting van een magazijn zal dan ook veel aandacht moeten worden besteed aan de organisatie en werkmethoden. Belangrijke stappen daarbij zijn het inventariseren van de huidige situatie, het beoordelen van die situatie en vervolgens het vastleggen van de uitgangspunten voor de nieuwe situatie.

De onderzoeksmethode is in grote lijnen algemeen toepasbaar. De werkwijze, inrichting en de keuze van het opslagsysteem zijn maatwerk. Hieronder staan de stappen die genomen moeten worden bij een onderzoek naar de inrichting van een magazijn.

 

Stap 1: De magazijnorganisatie
Het eerste gedeelte van het onderzoek bestaat uit een inventarisatie en een beoordeling van:

• de structuur van de organisatie (de omgeving) en van het magazijn zelf
• de werkverdeling in het magazijn
• de werkplanning
• de procedures (papierstroom): ontvangst- en orderbehandeling
• de werkmethoden van de belangrijkste magazijnwerkzaamheden (lossen, inruimen, verzamelen, eventueel inpakken en laden).

Tevens moeten de te verwerken werkhoeveelheden worden vastgesteld zodat zo nodig een bezettingsprognose opgesteld kan worden.

Op grond van de beschreven inventarisatie kan bepaald worden welke punten overgenomen worden, waar zich knelpunten bevinden, zodat deze in de nieuwe situatie kunnen worden opgelost. Hierdoor zijn uitgangspunten ontstaan waar de nieuwe situatie, als werkplaats, aan moet voldoen.

 

Stap 2: De goederenopslag
De tweede fase is de goederenopslag. In deze fase van het onderzoek worden de benodigde opslagsystemen en het aantal vastgesteld. De stappen zijn:

• een voorraadmeting per artikelgroep
• een correctie naar de gemiddelde voorraad
• het inventariseren van de toekomstverwachting en nogmaals corrigeren van de voorraad
• het berekenen van het volume en het aantal opslagmiddelen
• de systeemkeuze.

Tijdens de voorraadmeting wordt ook beoordeeld:

• of in de bestaande situatie op de juiste manier wordt opgeslagen
• welke type opslagsystemen het meest geschikt zijn
• of de toegepaste intern-transportmiddelen juist zijn.

 

Stap 3: Uitgangspunten
Nadat de magazijnorganisatie en de goederenopslag beoordeeld zijn, worden uitgangspunten voor de nieuwe situatie vastgesteld:

• de werkorganisatie (bijvoorbeeld: hoe orderverzamelen en met welke middelen)
• de opslag (opslageisen, interne transportmiddelen, voorraadhoogte)
• de laad/losvoorzieningen.

 

Stap 4: Het schetsplan
Na het vaststellen van de uitgangspunten kan een schetsplan worden gemaakt met daarin:

• de plaats van de opslagmiddelen (layout)
• de plaats en de grootte van de nevenruimten
• de route van de in- en uitgaande goederenstroom (de routing)
• de afmetingen van het totale gebouw
• de situering op het terrein.

De hier beschreven aanpak is ontwikkeld door EVO-Bedrijfsadvies en wordt door de adviseurs gehanteerd bij de bedrijfsadvisering.

 

Inrichten van acculaadstation

Indien voldoende ventilatie en geen open vuur in de nabijheid is, kan het laden van accu’s in gewone werkruimtes en magazijnruimtes gebeuren. Vaste inrichtingen voor het laden van stationair accu's met toestellen met een vermogen van meer dan 2 kW zijn onderhevig aan vergunningsplicht.

Voor het laden van verschillende batterijen en wisselbatterijen kan het best een aparte ruimte met de volgende voorwaarden worden gereserveerd:

· goede bereikbaarheid voor intern transportmiddelen

· verwijderd van vuur (las-, slijp-, stook-) werkzaamheden

· voldoende ruimte per te laden eenheid (in vloer oppervlak)

· voor ventilatie tegen buitenmuur aan (natuurlijke trek)

· afzuiginstallatie (geforceerde trek)

· geen directe zonnestralen

· bovenlaag vloer bestand tegen zwavelzuur

· vloer van voldoende draagkracht

· brandblusapparatuur

· vonkvrije verlichting armaturen/schakelaars

· noodstopknop inrichting energienet (minimaal twee).

· Signalering in de acculaadruimte

· vuur, open vlam en roken verboden

· verboden toegang voor onbevoegden

· opgepast voertuigen

· explosiegevaar

· bijtende stoffen

· handschoenen verplicht

· veiligheidsbril verplicht

· oogspoelinstallatie.

 

Bouw

De hoogte wordt bepaald door de hoogte van de hefmasten en nodige luchtcirculatie bij kunstmatige ventilatie. Wanden, dak, ondersteuningen en leidingen moeten glad zijn uitgevoerd en bestand zijn tegen bijtende dampen. Er mogen geen nissen of koepels of andere plaatsen in het dak voorkomen, waar waterstof zich kan ophopen. De vloer moet vlak zijn, bestand tegen olie, vet en bijtende stoffen, en voorzien zijn van een anti-sliplaag, afhellend om gemorste vloeistof weg te spoelen, en voorzien zijn van een zuurbestendig afvoerputje en afvoerleiding. Er moeten brandwerende bouwmaterialen gebruikt worden, een sprenkelinstallatie maakt de inrichting compleet.

Bij voorkeur moet er een volledige scheiding tussen batterijen en oplaadapparatuur zijn aangebracht. De afstand tussen batterij en lader moet minimaal twee meter zijn. De deuren moeten naar buiten open slaan en voorzien zijn van pictogrammen. Meer door de Arbeidsinspectie genoemde specificaties zijn aangegeven in de Duitse norm DIN 57510/V DE 0510/1.77.

 

Ventilatie

De ventilatie moet er voor zorgen dat geen ontplofbare atmosfeer kan worden gevormd tijdens het normale werk. Aangezien in accumulatoren tijdens het laden waterstofgas wordt ontwikkeld dienen deze gassen te worden afgezogen. Omdat waterstofgas lichter dan lucht is, zal het zich ophopen onder het plafond.

Een ontplofbaar mengsel van waterstofgas en lucht ontstaat als de concentratie van het waterstofgas meer dan vier procent bedraagt. De ventilatie van een accuruimte moet zodanig worden berekend dat een concentratie van vier procent met vijfvoudige zekerheid niet kan worden bereikt.

Er moeten voldoende ventilatie-openingen aanwezig zijn:

· zo hoog mogelijk voor de afvoer naar buiten

· aanvoeropeningen voor verse lucht zo laag mogelijk

· dode hoeken voor de ventilatiestroom zo veel mogelijk vermijden door een diametrale opstelling van de openingen

· indien nodig geforceerde ventilatie.

De ventilatie van acculaadstations is voldoende als men er voor zorgt dat de luchtstroom groter of gelijk is aan de navolgende formule (per batterij):

Q = v . q . s . n . I =>

v . q . s . = 0,05 =>

Q = 0,05 . n . l

Q = luchtstroom in m³/h
v = verdunningsfactor om de verhouding waterstof / lucht beneden de 4% te krijgen
q = hoeveelheid waterstof die per uur ontwikkeld wordt door elektrolyse
s = veiligheidsfactor = 5
n = aantal cellen (in de batterij)
I = de stroom waarbij de elektrolyse optreedt.

De acculaadruimte is het beste te ventileren met natuurlijke ventilatie. Om dit te kunnen realiseren moeten de toe- en afvoeropeningen een grootte hebben van minimaal

A = 28 . Q

Waarbij A = cm²
Q = m³/h

Bij deze openingen moet dan een minimale luchtsnelheid van 0,1 m/s aanwezig zijn. In de open lucht en in grote hallen kan men ervan uitgaan dat er een luchtsnelheid van 0,1 m/s aanwezig is.

Elektrische installatie

Laders moeten aangepast zijn aan de te laden batterijen wat capaciteit en spanning betreft. De elektrische uitrusting dient aan de eisen van de lokale elektriciteitsvoorziener te voldoen. Aansluitsnoeren/pennen van ladingtesters moeten uitgevoerd zijn met beveiliging tegen kortsluiting. Voldoende ontluchting moet voorkomen dat een ontplofbare atmosfeer kan worden gevormd tijdens het laden.

Verlichtingsniveau 200 - 300 lux.

Draagbare lampen voor controle van het elektrolyt moeten explosievrij zijn uitgevoerd en voorzien van een snoer dat tegen inwerking door elektrolyt is beschermd. Alle elektrische toestellen die vonken kunnen overbrengen, met uitzondering van contactdozen die ten minste twee meter van de accumulatorbatterijen zijn verwijderd, moeten worden ondergebracht in daarvoor goedgekeurde omhulsels.

 

Verwarming

Voor verwarming mogen alleen toestellen zonder open vlam of gloeiende delen gebruikt worden.
Bij gebruik van elektrische verwarming gelden de voorschriften die bij een elektrische installatie zijn aangegeven.

 

Uitrusting

Indien de batterij tijdens het laden op het voertuig blijft, moeten de nodige voorzieningen worden getroffen. Deze voorzieningen maken het onmogelijk om de heftruck tijdens het laden van de batterij te starten of mee weg te rijden. Wanneer de batterij voor het laden uit het voertuig wordt verwijderd moet het daarvoor bestemde gereedschap voldoen aan eisen die het veilig werken mogelijk maken.

Bij het tillen of heffen van de batterij wordt mechanische belasting of trillingen op de batterij voorkomen door gebruik te maken van jukken. Kortsluiting moet onder alle omstandigheden worden voorkomen. Gebruik niet-geleidende materialen of geïsoleerd gereedschap. Bussen en trechters voor het vullen van de batterij met gedemineraliseerd water moeten zoveel mogelijk van kunststof zijn.

Tevens moet er stromend water aanwezig zijn om:

· gemorst elektrolyt weg te spoelen

· een nooddouche aan te sluiten

· een oogspoelinstallatie aan te sluiten.

Gemorst elektrolyt kan het best met een basische oplossing worden geneutraliseerd, in een oplossing van soda (1 kg) in 10 liter water, of absorberende korrels. Brandblusapparatuur mag hierin zeker niet worden vergeten (1 bluseenheid per 150 m²).

Duidelijke instructie moet zijn aangebracht, betrekking hebbende op het manipuleren en laden van batterijen, bijvullen, meten van elektrolyt, reinigen van celverbindingen en maatregelen bij ongevallen. Een container voor zuurbestendige poetsdoeken/vodden behoort tot de standaard uitrusting.

 

Veiligheidsinstructies

Maatregelen ter voorkoming van storingen bij aansluiten:

· Verwijder de contactsleutel, trek de remmen aan

· Ontkoppel de batterijen elektrisch

· Controleer het elektrolyt

· Zorg ervoor dat de ontluchtingopeningen in de stoppen steeds open zijn

· Controleer of de gelijkrichter af staat

· Verifieer of de isolatie van de leidingen in orde is

· Koppel de batterij aan de gelijkrichter

· Zet de gelijkrichter aan, alleen wanneer het elektrolyt in orde is

· Kijk na of de gelijkrichter goed functioneert.

Maatregelen ter voorkoming van storingen bij het afkoppelen:

· Kijk na of de gelijkrichter is afgeslagen

· Let op overdreven gasvorming

· Meld versleten batterijen onmiddellijk

· Schakel de gelijkrichter steeds uit

· Controleer of de contactsleutel is verwijderd

· Koppel de gelijkrichter af van de batterij

· Hang de kabels van de gelijkrichter zorgvuldig weg

· Koppel de batterij aan het voertuig.

Maatregelen ter voorkoming van ongevallen bij het verwisselen van tractiebatterijen:

· Gebruik geschikt gereedschap

· Controleer de staat van kabels, juk en koppelstukken

· Draag sluitende zuurbestendige kleding, bril en schoenen.

Maatregelen ter voorkoming van kortsluiting van het acculaadstation:

· Gebruik elektrisch niet geleidend gereedschap (geïsoleerde handgrepen)

· Gebruik handschoenen

· Leg nooit metalen voorwerpen op de batterij.

Maatregelen ter voorkoming van ontploffing:

· Stel in de buurt van het laadstation een rook-, vuur- en lasverbod in

· Gebruik alleen vonkvrije apparatuur en gereedschap

· Ga na of de ventilatie-openingen van de batterij schoon zijn.

Maatregelen ter voorkoming van oververhitting:

· Gebruik aangepaste (afgeregelde) laders

· Sluit de lader niet onmiddellijk aan indien de temperatuur van het elektrolyt hoger is dan 35º C.

Maatregelen bij abnormaal waterverbruik:

· Zet het laden stop en informeer de verantwoordelijke persoon.

Maatregelen bij het overlopen van het elektrolyt:

· Draag ter voorkoming van verwonding bescherming bij het laden

· Sporen van elektrolyt direct met ruim poetsdoek verwijderen

· Poetsdoek verwijderen in een speciale container

· Eventuele plassen opnemen met inerte korrels, of neutraliseren met sodaoplossing.

Maatregelen ter voorkoming van risico's voor de gezondheid:

· Gebruik zuurbestendige handschoenen

· Gebruik zuurbestendige kleding (schort, schoenen)

· Gebruik een veiligheidsbril of gelaatsmasker bij manipulatie van batterijen

· Draag beschermende kleding.

Maatregelen in de acculaadruimte met pictogrammen:

· Vuur, open vlam en roken verboden

· Verboden toegang voor onbevoegden

· Opgepast voertuigen

· Explosiegevaar

· Bijtende stoffen

· Beschermende kleding verplicht

· Handschoenen verplicht

· Veiligheidsbril verplicht

· Veiligheidsschoenen verplicht.

 

Tillen

Er is op dit moment geen wettelijke tilnorm vastgelegd. Reden hiervoor is dat er tussen de verschillende partijen geen overeenstemming bestaat over wat is toegestaan en niet.

De Arbeidsinspectie hanteert bij haar controles de zogenaamde NIOSH-methode. Wordt de tilnorm die in deze methode is vastgelegd tweemaal of meer overschreden dan kan de Arbeidsinspectie beboeten.

De rechter heeft inmiddels ook in hoger beroep uitgesproken dat de NIOSH-methode momenteel de gezondheidskundige norm voor gezond en veilig tillen is. Het is mogelijk om online te berekenen wat het maximaal tilgewicht is via de NIOSH-methode. Meer informatie hierover vindt u onder de kop 'Lichamelijke belasting' op www.arbobondgenoten.nl.

 

Campagne tillen in de industrie

In 2003 heeft de Arbeidsinspectie een grootscheepse campagne gevoerd over tillen in de industrie. Daarbij is een groot aantal bedrijven gecontroleerd. Met name in de voedingsindustrie, genotmiddelenindustrie en de metaalindustrie.

Verder is er een aantal stroomschema's opgenomen aan de hand waarvan gezien kan worden of de tilsituatie in uw bedrijf knelpunten of misstanden opleveren. Van belang is dat een bedrijf in zijn risico-inventarisatie de tilsituatie heeft beoordeeld op ten eerste het zoveel als mogelijk voorkomen van tillen. Bijvoorbeeld door het aanpassen van productie- en werkmethoden en het gebruiken van hulpmiddelen. Ten tweede moet als tillen onvermijdelijk is de fysieke belasting worden beoordeeld.

Daarbij moeten de volgende aspecten aan de orde komen:

kenmerken van de last (omvang, stabiliteit, grip)

vereiste lichamelijke inspanning (gewicht van de last)

kenmerken van de werkomgeving (klimaat, temperatuur, vloeren, verplaatsingsafstanden)

taakeisen (tilfrequentie, duur van het tillen).

 

Algemeen

De rug is een kwetsbaar deel van het lichaam. Hij wordt gemakkelijk te zwaar belast. Onder andere door het tillen van zware voorwerpen, door te buigen en te draaien. Bij vervoer en logistieke activiteiten komt het veel voor dat er moet worden getild. Daarom moet bijzondere aandacht aan het tillen worden besteed in de risico-inventarisatie en evaluatie.

De vraag hoeveel er getild mag worden is niet eenvoudig te beantwoorden. Zaken die hierbij bepalend zijn, zijn hoe vaak er per dag getild wordt en in welke houding er getild wordt. Zie informatie over NIOSH-methode in bovenstaande inleiding. Als iemand de hele dag bezig is koffers te tillen, dan geldt er een lager maximum tilgewicht dan als iemand incidenteel iets moet tillen. Om een goede risico-inschatting te maken is van belang te weten hoe rugklachten ontstaan en wat er aan gedaan kan worden om rugklachten te voorkomen.

Wanneer loopt u risico:

De manier waarop het werk wordt uitgevoerd en de omstandigheden waaronder u uw werk doet, bepalen of u veel of weinig risico loopt;

· hoe hoog moet u tillen

· moet u het gewicht over een grote afstand verplaatsen

· is het voorwerp makkelijk te hanteren

· is het werktempo hoog of laag.

Niet alleen het werk speelt een rol. Ook allerlei persoonlijke factoren kunnen van belang zijn, zoals iemands leeftijd, gewicht, lengte, geslacht, erfelijke aanleg en ervaring. Ook de manier waarop iemand tilt is belangrijk. Hieraan valt gelukkig een hoop te doen door verstandig te tillen.

Rugaandoeningen kunnen ontstaan als u langdurig in een bepaalde houding staat of zit. Bijvoorbeeld wanneer u een tijdlang een zwaar voorwerp moet vasthouden. U gebruikt dan lange tijd dezelfde spieren, waardoor de bloedvoorziening kan worden belemmerd. Het kan ook zijn dat de gewrichten te lang in dezelfde houding zijn gebleven.

Een andere vorm van overbelasting kan zich voordoen als het lichaam in beweging is. Denk hierbij aan bewegingen die vaak herhaald moeten worden, zoals spitten of tillen. Hoe zwaarder het gewicht dat getild moet worden, des te groter is het risico van rugklachten.

Veel werkzaamheden die we verrichten veroorzaken een gecombineerde belasting door houding en beweging. Denk hierbij aan een stucadoor die zichzelf op een ladder in evenwicht moet houden (houding) en boven zijn hoofd de plekspaan langs het plafond haalt (beweging). Of een magazijnbediende die voortdurend met gebogen rug (houding) dozen verplaatst of stapelt (beweging).

Als we onze rug overbelasten kan dat leiden tot verschillende aandoeningen, zoals:

· spierpijn, door overbelasting van de lange rugspieren

· spit, een acute vorm van spierkramp

· slijtage (artrose) van de tussenwervelgewrichten. Dit kan het gevolg zijn van zwaar werk, maar ook van de leeftijd

· hernia, hierbij is de tussenwervel beschadigd. De weke kern ervan puilt uit en drukt tegen de zenuwen (ischias).

Kwetsbare beroepen

In principe kan iedereen rugklachten krijgen. Er zijn echter bepaalde beroepen waarbij rugklachten vaker voorkomen. Dit zijn onder meer:

stratenmakers en bouwvakkers, die in uw werk voortdurend moeten bukken en tillen

landbouwers die, met gedraaide rug en achterom kijkend, een schuddende tractor moeten besturen verpleegkundigen, zieken- en bejaardenverzorgsters die hun patiënten moeten tillen

schoonmakers die veel werkzaamheden in gebukte houding verrichten en vaak dezelfde bewegingen moeten maken beroepen die bestaan uit het tillen en dragen van allerlei producten, bijvoorbeeld magazijnbedienden chauffeurs die lang in dezelfde houding achter het stuur zitten en daarna moeten laden of lossen.

Hoe zijn rugklachten te voorkomen?

Het lijkt misschien een open deur, maar voor alles geldt: probeer zo weinig mogelijk te tillen en zo veel mogelijk hulpmiddelen te gebruiken. Mocht u toch tillen, houd u dan aan de volgende 10 regels:

1. buk en til niet onnodig, gebruik waar mogelijk hulpmiddelen

2. verstandig tillen kost net zoveel tijd als onverstandig tillen: doe het dus met verstand

3. bedenk vooraf hoe en waarheen u de last gaat verplaatsen, zodat u rekening kunt houden met eventuele moeilijkheden

4. bepaal vooraf het gewicht van de last, til niet te veel ineens. Vraag uw collega's om hulp bij zware en grote voorwerpen

5. sta steeds recht voor de last; til nooit met gedraaide rug: verplaats uw voeten als u moet draaien

6. bepaal het zwaartepunt van de last en zoek een goede balans voordat u met het echte tillen begint

7. til met twee handen, houd de last zo dicht mogelijk bij het lichaam, voorkom dat u moet reiken; til niet hoger dan schouderhoogte

8. buig door de knieën, houd de rug zo recht mogelijk, beweeg langzaam. Gebruik vooral uw buik- en beenspieren. Hetzelfde geldt voor het neerzetten van de last

9. zorg dat de weg vrij is van obstakels als u moet lopen met de last, gebruik stroeve schoenen bij gladde vloeren

10. luister naar uw lichaam: neem signalen serieus. Beginnende klachten kunnen snel erger worden. U voelt zelf het beste wat uw rug wel en niet kan hebben.

Wat te doen als er toch getild moet worden?

Als tillen niet te vermijden is zorg er dan voor dat u niet te vaak hoeft te tillen. Voorop staat dat handmatig tillen zoveel mogelijk vermeden moet worden. In plaats daarvan kunnen vaak mechanische hulpmiddelen worden gebruikt. Die zijn er volop geschikt voor allerlei verschillende werksituaties: heftrucks, takels, jukken, hijskranen, palletstapelaars en karretjes. Gebruik ze!

Als werkgever moet u ervoor zorgen dat er voldoende hulpmiddelen aanwezig zijn, afgestemd op de werksituatie. Ook moet er gezorgd worden voor een op de werkzaamheden afgestemde instructie of opleiding voor het werken met de hulpmiddelen.

 

Arboconvenanten

Arbo-convenanten zijn een pijler van de overheid om de arbeidsomstandigheden te verbeteren. Arboconvenanten worden gezamenlijk gesloten tussen drie partijen: werkgevers, werknemers en overheid. De aanpak legt primair de verantwoordelijkheid bij werkgevers en werknemersorganisaties op brancheniveau. Het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid verleent financiële ondersteuning en initieert waar nodig activiteiten.

Met het afsluiten van arbo-convenanten wil het kabinet de blootstelling aan een aantal belangrijke arbeidsrisico's verminderen. Het gaat om tillen, werkdruk, RSI, schadelijk geluid en een aantal gevaarlijke stoffen (oplosmiddelen, allergene stoffen en kwarts).

Een relatief groot deel van de werknemers heeft met deze arbeidsrisico's te maken.

Meer informatie over arboconvenanten is te vinden op www.arbo.nl. Op deze site vindt u bijvoorbeeld de teksten van alle beschikbare convenanten of intentieverklaringen gegroepeerd per branche.

 

Het gebruik van een dieselheftruck binnen

De regelgeving over toegestane uitlaatemissies voor heftrucks is vastgelegd in een Europese Richtlijn. Dieselmotorenemissies (DME) bevatten daarnaast ook samengestelde stoffen (PAK, roet e.d.) die kankerverwekkend zijn. DME is daarom opgenomen op de lijst van kankerverwekkende stoffen.

Uitgangspunt van de Arbeidsinspectie rond kankerverwekkende stoffen is dat, waar technisch mogelijk, vervanging van de kankerverwekkende stof door een minder schadelijke stof moet plaatsvinden. Financieel-economische overwegingen spelen hierbij geen rol.



Vervangingsplicht
Aangezien de stand der techniek van vervanging van DME op dit moment nog niet eenduidig is vastgesteld, is de vervangingsplicht beperkt tot heftrucks met dieselmotoren met een hefvermogen tot 4 ton. Deze moeten worden vervangen door elektrisch of LPG-aangedreven voertuigen, omdat voor heftrucks met een hefvermogen tot 4 ton voldoende elektrische of LPG-aangedreven varianten bestaan.

Treft de Arbeidsinspectie situaties aan waarbij in gesloten ruimtes gebruik wordt gemaakt van dieselaangedreven heftrucks met een hefvermogen tot 4 ton, dan wordt verlangd dat deze binnen een half jaar worden vervangen door een elektrische of LPG-aangedreven heftruck. Tot het moment dat deze vervanging plaatsvindt moet een roetfilter in combinatie met een katalysator op de dieselheftruck worden geplaatst om DME-blootstelling te verlagen.

Wordt de dieselheftruck vervangen door een LPG-aangedreven model dan moet aanvullend een uitlaatkatalysator worden geplaatst en worden gezorgd voor adequate ventilatie. Bovendien moet een blootstellingsbeoordeling van de uitlaatgassen CO en NOx worden gemaakt, op grond waarvan zonodig maatregelen moeten worden genomen om de concentraties van deze gassen te reduceren. De verwachting is dat, indien een LPG-aangedreven voertuig is voorzien van een uitlaatgaskatalysator, de grenswaarden van CO en NOx niet zullen worden overschreden.



Wat zijn 'binnenruimten' en half open ruimten
Onder 'binnen' moet in ieder geval worden begrepen de ruimte die is voorzien van minimaal drie muren en een dak. Maar ook in situaties met minder muren kunnen maatregelen al naar gelang de omstandigheden nodig zijn om de blootstelling aan DME te beperken. In de Risico-inventarisatie en -evaluatie en zonodig in het plan van aanpak zal hieraan aandacht moeten worden besteed.